Jeugdkennis
Nederlands Jeugdinstituut

Supervisie en coaching bepalen succes interventie

30 juli 2012

Ton Ceelen

Planmatige invoering van jeugdzorgprogramma’s vergroot de kans dat ze worden uitgevoerd zoals ze bedoeld zijn en de gewenste resultaten voor de cliënt bereiken. Met name in de begeleiding van de uitvoerende beroepskrachten valt daarbij grote winst te behalen. Dat zegt Karlijn Stals, naar aanleiding van haar onderzoek naar succesfactoren bij implementatie.

‘Als mensen het over implementeren hebben, denken ze vaak: dat is invoeren. We delen informatie uit en doen misschien een traininkje, en dan zijn we klaar. Maar volgens mij is het een heel proces. Dat begint al wanneer je een interventie ontwikkelt, omdat je dan rekening moet houden met de professionals die het straks uitvoeren. Daarna ga je de interventie verspreiden en de betrokkenen informeren over doel en werkwijze. Vervolgens moeten die professionals de interventie als het ware adopteren, zodat ze er graag mee willen werken. Er kan training en scholing nodig zijn om met het programma te kunnen werken. En als het programma uiteindelijk draait, moet je dit alles zien vast te houden met aanvullende informatie en goede begeleiding.’
Hulpverleners varen vaak op intuïtie en ervaring bij de uitvoering van hulpprogramma’s, met als gevolg dat de werkwijze en de bereikte resultaten na verloop van tijd sterk variëren per hulpverlener en per cliënt. Om dat te voorkomen, adviseert Stals een implementatiestrategie te ontwerpen die rekening houdt met alle factoren die het succes kunnen beïnvloeden, zoals de organisatie waarbinnen een interventie gaat draaien en de kenmerken van zowel de cliënt als de hulpverlener. ‘In de praktijk blijken de resultaten van bewezen effectieve interventies vaak tegen te vallen, omdat de interventie niet wordt uitgevoerd zoals zij bedoeld is, of omdat hulpverleners sommige onderdelen weglaten en zelf dingen toevoegingen. Je moet zulke factoren van tevoren bekijken en je strategie daaraan aanpassen.’

Werkbegeleiding

Stals denkt dat er vooral winst te behalen valt met een methodische werkbegeleiding van beroepskrachten tijdens de uitvoering. ‘Je zou willen dat organisaties bijvoorbeeld tweewekelijks een begeleidingsgesprek houden, waarin professionals steeds de vraag krijgen voorgelegd: doe je nog steeds met je cliënten wat in de handleiding staat, of doe je inmiddels iets anders en waarom dan?’
Bij Jeugdformaat Haaglanden, waar Stals haar ideeën toetste, heeft ze deze begeleidingsgesprekken onderzocht. ‘Wat Jeugdformaat goed heeft gedaan, is aan het begin van het implementatieproces de competenties van alle hulpverleners in kaart brengen om te analyseren op welke punten zij extra ondersteuning nodig hadden. Tegelijkertijd bleek dat sommige aspecten van de methodiek onderbelicht bleven in de werkbegeleiding. Bijvoorbeeld het betrekken van het netwerk van de cliënt, terwijl dat juist een cruciaal onderdeel van het gebruikte programma was.’
Stals onderzocht ook de implementatie van de Deltamethode Gezinsvoogdij bij bureaus jeugdzorg. Ze verwacht dat de uitvoering van die methode zal verbeteren wanneer teamleiders meer tijd hebben voor de ondersteuning van gezinsvoogden.

Misverstand

Begeleidingsgesprekken kunnen volgens Stals bijdragen aan de verdere ontwikkeling van interventies. ‘Als je door die gesprekken samen opspoort waarom het betrekken van het netwerk van de cliënt niet uit de verf komt, betekent dat misschien wel dat er in de tekst van de methodiekhandleiding extra aanwijzingen moeten worden toegevoegd.’ Volgens Stals is dat niet strijdig met het principe van programma-integriteit. ‘Het is een groot misverstand dat hulpverleners bij interventies domweg een kant-en-klaar recept moeten volgen; dan ga je voorbij aan hun professionaliteit. Maar als professional moeten ze wel goed op de hoogte zijn van de werkzame bestanddelen van een methodiek.'
'Neem als voorbeeld het aanleren van opvoedvaardigheden bij ouders, een werkzaam element uit veel gezinsinterventies. Daar zijn verschillende manieren voor. Bij hoogopgeleide ouders kun je wellicht toe met uitleg en informatie, terwijl je bij LVG-ouders misschien veel moet oefenen met rollenspelen of het gewenste gedrag zelf moet voordoen. Werkbegeleiding kan helpen om de balans te bewaren tussen aanpassen aan de cliënt en het vasthouden van deze werkzame bestanddelen.’

K. Stals, De cirkel is rond. Onderzoek naar succesvolle implementatie van interventies in de jeugdzorg (samenvatting). Universiteit Utrecht, 29 juni 2012.

Foto

Bewaar Jeugdkennis