Jeugdkennis
Nederlands Jeugdinstituut

Ervaren gebruiker lespakket is de beste ambassadeur

Onderzoek naar invoering lespakket Relaties & Seksualiteit

18 maart 2012

Marianne Cense, Marloes Martens, Ineke van der Vlugt

Preventieve leefstijlprogramma’s die effectief zijn, vinden niet vanzelf hun weg naar het onderwijs. Daarvoor is ook een effectief invoeringstraject nodig. Factoren binnen de school, zoals het draagvlak onder leerkrachten, hebben daarbij meer invloed dan externe factoren, zoals aandacht in de media of gemeentelijk beleid, blijkt uit onderzoek naar het lespakket Relaties & Seksualiteit. Om het gebruik te stimuleren, kunnen GGD’en laagdrempelige ondersteuning aanbieden en ervaren gebruikers inzetten als ambassadeur.

Rutgers WPF biedt basisscholen het lespakket Relaties & Seksualiteit aan, met lesmateriaal voor groep 1 tot en met 8 over relationele en seksuele vorming. De lessen en werkvormen sluiten aan bij de ontwikkelingsfase van de kinderen. Zo komen in de onderbouw de thema’s lichaamsbeeld, verschillen tussen jongens en meisjes en het verschil tussen prettige en minder prettige aanrakingen aan bod. In de middenbouw is er vooral aandacht voor het zelfbeeld, sekserolgedrag, vriendschappen en relaties, voortplanting, en wensen en grenzen. In de bovenbouw wordt ingegaan op de veranderingen in de puberteit, verliefdheid en relaties, seksuele diversiteit, bescherming tegen soa en zwangerschap, en seksuele weerbaarheid.

Relationele en seksuele vorming

De definitie van relationele en seksuele vorming van Rutgers WPF is gebaseerd op de WHO-richtlijn voor Europa (Rutgers WPF, 2010): ‘Seksuele en relationele vorming is het leren over de cognitieve, emotionele, sociale, interactieve en fysieke aspecten van seksualiteit. Seksuele en relationele vorming start in de vroege kinderjaren en zet zich voort in de puberteit en volwassenheid. Voor kinderen en jonge mensen is het doel steun en bescherming te bieden in hun seksuele ontwikkeling. Gaandeweg worden kinderen en jongeren uitgerust met kennis, vaardigheden en positieve waarden die hen in staat stellen om te genieten van hun eigen seksualiteit, veilige en bevredigende relaties aan te gaan en verantwoordelijkheid te nemen voor hun eigen en andermans seksuele gezondheid en welzijn. Het stelt hen in staat keuzen te maken die de kwaliteit van hun leven verhogen en die bijdragen aan een gezonde en rechtvaardige samenleving.’

Uit een effectonderzoek onder 1.002 leerlingen van groep 7 en 8 blijkt dat gebruik van het lespakket leidt tot een toename van kennis over relaties, seksualiteit en seksueel misbruik, een positievere houding tegenover homoseksualiteit en een toename in assertiviteit wanneer kinderen ongewenst worden aangeraakt of lastiggevallen, in vergelijking met kinderen die geen of ad hoc les kregen op het gebied van relationele en seksuele vorming (Bagchus en anderen, 2010).
Sinds 2004 coördineert Rutgers WPF in samenwerking met een groot aantal GGD’en de Week van de Lentekriebels. Dat is een jaarlijks stimuleringsproject in de derde week van maart om basisscholen aan te moedigen les te geven over relationele en seksuele vorming. Uit evaluaties onder deelnemende scholen blijkt dat leerkrachten tijdens de projectweek elke dag een of meer lessen geven uit het lespakket Relaties & Seksualiteit. Naast die lessen vindt er een variëteit aan activiteiten plaats, waaronder ouderavonden over seksuele vorming, theatervoorstellingen, tentoonstellingen en voorleesbijeenkomsten.
Elk jaar nemen meer dan 350 basisscholen deel aan de Week van de Lentekriebels. Het aantal deelnemende scholen is voor een groot deel afhankelijk van de capaciteit en inzet van de GGD’en in de regio. Zij leveren ondersteunend materiaal, werven scholen voor deelname, trainen leerkrachten, geven advies over beleid en verzorgen gastlessen op school. Rutgers WPF ondersteunt de GGD’en met een jaarlijkse masterclass en digitale ondersteuning via de website van de Week van de Lentekriebels. Daarnaast voorziet Rutgers WPF de GGD’en van wervingsmateriaal voor scholen, onderwijs- en voorlichtingsmateriaal zoals het lespakket Relaties & Seksualiteit, pubergidsen en dergelijke.
Rutgers WPF wil op zijn minst de basisscholen bereiken met kinderen uit achterstandswijken. In totaal zijn er 7.000 basisscholen in Nederland, waarvan naar schatting 1.500 in achterstandswijken. Uit onderzoek blijkt dat laag opgeleide jongeren en allochtone groepen de grootste risicogroep vormen voor seksueel ongezond gedrag, zoals seksuele dwang, soa’s en ongewenste zwangerschappen (De Graaf en anderen, 2005). Met lessen over Relaties & Seksualiteit raken kinderen al op jonge leeftijd vertrouwd met relaties en seksualiteit en krijgen ze kennis en vaardigheden om in hun puberteit verantwoorde keuzen te maken. Aangezien basisscholen tot op heden niet in alle regio’s voldoende en effectief bereikt worden, is een herijking van de implementatiestrategie nodig.

Implementatieonderzoek

Rutgers WPF deed onderzoek naar de implementatie van het lespakket Relaties & Seksualiteit om vast te stellen welke factoren bijdragen aan de invoering (Cense en anderen, 2011).
Het theoretisch kader van het onderzoek is gebaseerd op het zogenaamde diffusiemodel van de Amerikaanse socioloog Everett Rogers en op het invoeringsproces van vernieuwingen volgens de Nederlandse onderzoeker Margot Fleuren (Rogers, 2003; Fleuren en anderen, 2002). Rogers onderscheidt vijf fasen in het invoeringsproces: de kennisfase, de overtuigingsfase, de adoptiefase, de implementatiefase en de behoudfase.
Bij de invoering van het lespakket Relaties & Seksualiteit zijn de vijf fasen zo ingevuld:

In elke fase kunnen verschillende factoren invloed hebben op het verloop van het invoeringsproces. Fleuren onderscheidt vijf groepen factoren:

Het onderzoek is uitgevoerd onder leerkrachten en directieleden van basisscholen en gezondheidsbevorderaars van de GGD’en. Het bestond uit een kwalitatieve voorverkenning en een kwantitatief onderzoek onder beide doelgroepen. De voorverkenning bestond uit veertien interviews met vertegenwoordigers van scholen en twee focusgroepbijeenkomsten met GGD-medewerkers. Voor het kwantitatieve onderzoek is een vragenlijst afgenomen op 321 scholen en alle 29 GGD’en.

Kennisfase

De bekendheid van het lespakket Relaties & Seksualiteit onder de scholen is met 18,4 procent matig. De bekendheid van de nationale projectweek Week van de Lentekriebels is met 64,1 procent aanzienlijk groter. Ook onder GGD’en is de Week van de Lentekriebels bekender dan het lespakket.
Dit resultaat is onverklaarbaar, omdat het lespakket Relaties & Seksualiteit een belangrijk onderdeel is van de projectweek. Uit een evaluatie van de Week van de Lentekriebels in 2009 bleek dat 95 procent van de deelnemende scholen het lespakket gebruikt in verschillende leerjaren. In de Week van de Lentekriebels is het gebruik van het lespakket Relaties & Seksualiteit min of meer verplicht. Het promotie- en wervingsmateriaal verwijst ook altijd naar het lespakket. Bovendien zijn in 2010 meer dan achthonderd lespakketten besteld, terwijl elk jaar ruim 350 basisscholen deelnemen aan de Week van de Lentekriebels. Er zijn dus scholen die het pakket gebruiken zonder mee te doen aan de projectweek. Des te opmerkelijker is het dat het lespakket minder bekend is dan de week.

Overtuigingsfase

Scholen staan vrijwel allemaal positief tegenover het thema relationele en seksuele vorming. Op de meeste scholen wordt op de een of andere wijze aandacht aan het thema besteed. Ook binnen de GGD is er veel draagvlak. Het onderwerp moet weliswaar concurreren met andere gezondheidsbevorderende thema’s, maar heeft daarbinnen redelijke prioriteit: de derde plaats na overgewicht en alcohol/verslaving, blijkt uit het onderzoek. Scholen besteden meer aandacht aan relationele en seksuele vorming naarmate er meer vragen van leerlingen zijn en docenten en directie een positievere houding hebben tegenover het onderwerp. Ze besteden ook meer aandacht aan het thema wanneer er meer expertise binnen de school aanwezig is, het draagvlak binnen de school voor het thema groter is en aandacht voor het thema in het beleid is vastgelegd.

Adoptiefase

Naast bekendheid en bereidheid spelen andere factoren een rol bij de intentie om het lespakket te gaan gebruiken. De grootste belemmering om aandacht te besteden aan relationele en seksuele vorming is volgens scholen tijdgebrek.
GGD’en signaleren naast tijdgebrek ook een kennisgebrek bij scholen, vooral op het vlak van de seksuele ontwikkeling van kinderen en de inhoud van relationele en seksuele vorming. Een vijfde van de scholen meldt zelf ook dat er niet voldoende expertise in de school aanwezig is om aandacht te besteden aan relationele en seksuele vorming. De investering van GGD’en in het vergroten van kennis bij scholen, door regionale bijscholing aan leerkrachten te geven, blijkt in de adoptiefase zijn vruchten af te werpen.
GGD’en gaan ervan uit dat scholen uit angst voor reacties van ouders geen aandacht willen besteden aan relationele en seksuele vorming. Dat speelt inderdaad bij 18 procent van de scholen, maar bij de grote meerderheid niet.

Implementatiefase

Van de respondenten die het lespakket kennen, heeft 64,4 procent er de beschikking over en maakt 57,6 procent er werkelijk gebruik van. In concrete aantallen: 59 scholen zijn er bekend mee, 38 scholen hebben het pakket en 34 van de onderzochte scholen gebruiken het ook.
Het lespakket wordt vooral projectmatig gebruikt. Doordat het een doorlopende leerlijn biedt van groep 1 tot en met 8 is het lesmateriaal bruikbaar in elk leerjaar en kunnen leerkrachten er in het volgende leerjaar op voortborduren.
Scholen gebruiken het lespakket intensiever – vaker en in meer groepen – als er meer expertise binnen de school aanwezig is en het draagvlak binnen de school groter is.
Naast dergelijke kenmerken van de organisatie spelen bij de intensiteit van het gebruik ook kenmerken van de vernieuwing een rol, kenmerken van het lespakket zelf. Relaties & Seksualiteit wordt intensiever gebruikt naarmate de docent het pakket gebruiksvriendelijker vindt en naarmate het beter aansluit bij het kennisniveau en de belevingswereld van de leerlingen. Ook blijkt dat bij scholen die door een GGD ondersteund worden de intensiteit van het gebruik toeneemt.
De belangrijkste voorwaarden die docenten stellen aan lesmateriaal op het gebied van relationele en seksuele vorming zijn aansluiting bij de belevingswereld en het kennisniveau van de kinderen en gebruiksvriendelijkheid van het lesmateriaal. Dat zijn ook de aspecten waarop scholen het lesmateriaal positief beoordelen.
Ook GGD’en hebben een hoge waardering voor het lespakket, op vrijwel alle facetten: relevantie, gebruiksvriendelijkheid, aansluiting bij belevingswereld van leerlingen en flexibiliteit van het materiaal.

Behoudfase

Alle scholen in het onderzoek die gebruikmaken van het lespakket zijn van plan om het te blijven gebruiken. GGD’en monitoren niet systematisch of scholen na de Week van de Lentekriebels doorgaan met relationele en seksuele vorming. Ze stellen echter wel dat tijdgebrek en het volle lesprogramma er soms voor zorgen dat scholen het genoeg vinden om eens per jaar de Week van de Lentekriebels uit te voeren en niet gemotiveerd zijn om relationele en seksuele vorming door het hele jaar heen in de lessen op te nemen. Zo worden in het schooljaar slechts vijf lessen uit het pakket gebruikt, terwijl het per groep tien tot veertien lessen omvat.
Ook kan de actualiteit de aandacht verdringen, bijvoorbeeld doordat de overheid meer nadruk legt op sport en bewegen. Het besluit van onderwijsminister Marja van Bijsterveldt in november 2011 om aandacht voor seksuele diversiteit en seksuele weerbaarheid op te nemen in de kerndoelen voor het onderwijs zal juist voor wind in de rug zorgen.

Bestaande invoeringsstrategie

Uit het onderzoek blijkt dat de huidige strategie van Rutgers WPF op een aantal vlakken goed is en voortgezet moet worden. Zo is de keuze om veel aandacht te besteden aan kennismaking met het lespakket en adoptie terecht. Veel scholen kennen het lespakket nog niet maar staan wel positief tegenover het thema relationele en seksuele vorming.
Daarnaast blijkt dat scholen die eenmaal gebruikmaken van het lespakket van plan zijn het te blijven gebruiken. Dat rechtvaardigt minder bemoeienis met de behoudfase.
Het instrument van de projectweek blijkt een goed vehikel voor de werving van nieuwe scholen. GGD’en en scholen waarderen de Week en zien die als een laagdrempelige start van relationele en seksuele vorming op school. De kant-en-klare schriftelijke materialen – wervingsfolders, draaiboeken, een promotiefilm, brieven voor ouders – en de website Weekvandelentekriebels.nl zijn daarbij belangrijk.

Vernieuwing van de strategie

Met de huidige strategie bereikt het lespakket echter niet alle basisscholen die Rutgers WPF wil bereiken. Bovendien is deze strategie erg afhankelijk van de inzet van GGD’en, terwijl hun preventiebudget in deze tijden van bezuinigingen allerminst zeker is. Op een aantal punten is daarom vernieuwing van de strategie nodig.

Nieuwe adviseurs

Scholen zien de GGD als een betrouwbare adviseur voor lesmaterialen gericht op relationele en seksuele vorming. Daarnaast noemen ze andere voorbeeldscholen als gewenste adviseur. Inhoudelijk is volgens het onderzoek de belangrijkste factor voor adoptie van een lespakket de overtuiging van het schoolteam dat het pakket gebruiksvriendelijk is en aansluit bij de leerlingen. Goede voorbeelden van andere scholen kunnen daarbij overtuigend werken. Het benutten van scholen, directies en leerkrachten met positieve ervaringen is daarom een krachtig element in de invoeringsstrategie.
De GGD zou in samenwerking met reeds actieve, enthousiaste leerkrachten nieuwe leerkrachten kunnen scholen of ondersteunen. Deze leerkrachten kunnen ‘van binnenuit’ vertellen hoe ze het pakket gebruiken. Zij kunnen tijdens regionale scholingsbijeenkomsten van GGD’en ingezet worden. De verwachting is dat ervaren en enthousiaste scholen graag kennis en ervaring willen delen en als ambassadeur ingezet kunnen worden.

Laagdrempelige ondersteuning

De belangrijkste belemmering voor de adoptie en continuering is het overvolle lesrooster van scholen. Het is daarom belangrijk dat Rutgers WPF en de GGD’en aan scholen laten zien dat relationele en seksuele vorming goed inpasbaar is in hun huidige lesprogramma en lesmethoden. Dat dit zo is, blijkt uit het effectonderzoek van 2010, waarin docenten aangeven dat het pakket gemakkelijk inpasbaar is. Door scholen inzicht te bieden in de relatief kleine tijdsinvestering, de gebruiksvriendelijkheid van het pakket en de aansluiting bij de ontwikkelfasen van kinderen kan invoering bevorderd worden.
De investering van GGD’en in het trainen van docenten werpt vruchten af, blijkt uit het onderzoek, vooral in de intensiteit van het gebruik van het lespakket. Het wordt dan ook aangeraden om scholen bij het gebruik te ondersteunen. De GGD’en schatten de behoefte aan ondersteuning hoger in dan wat uit het onderzoek onder scholen naar voren komt. Het is dus van belang dat GGD’en goed aansluiten bij de soms beperkte behoefte van de scholen, bijvoorbeeld door laagdrempelige ondersteuningsvormen aan te bieden: een informatieavond op school, kortdurende teampresentaties, regionale workshops waar per school twee docenten komen en ondersteuning bij visieontwikkeling.

Herziening lespakket

Het eerder genoemde effectonderzoek laat zien dat het lespakket op een aantal thema’s effectief is, maar niet op alle. Actualisering is nodig om te blijven aansluiten bij de jeugd- en onderwijscultuur, bijvoorbeeld waar het gaat om de omgang met media, seksuele diversiteit en seksuele weerbaarheid. Rutgers WPF heeft onlangs een herzien lespakket uitgegeven, inclusief digitale lessen voor het digibord.

Monitoring

In het onderzoek valt op dat veel GGD’en niet weten of en in welke mate scholen duurzaam aandacht blijven besteden aan relationele en seksuele vorming na deelname aan de Week van de Lentekriebels. De huidige monitoring van scholen beperkt zich tot registratie van scholen die meedoen aan de projectweek. Door met scholen de Week van de Lentekriebels en het gebruik van het pakket te evalueren, krijgt de GGD meer inzicht in de opbrengst van de inspanningen: of er een groei is in het aantal scholen in de regio dat aan relationele en seksuele vorming doet en of intensieve begeleiding door de GGD inderdaad leidt tot structurele inbedding. Deze gegevens kan de GGD ook benutten voor de lobby gericht op gemeenten om seksuele gezondheid en seksuele en relationele vorming in het basisonderwijs hoger op de agenda te krijgen.

Regionale inzet GGD

Voor een succesvolle invoeringsstrategie voor Relaties & Seksualiteit blijft de inzet van de GGD’en onmisbaar. De meeste GGD’en hebben een duidelijke visie op hun rol en de randvoorwaarden zijn gerealiseerd: expertise en goede contacten tussen management en gemeenten. Maar ook binnen de GGD is geld en dus tijd een struikelblok. Bovendien beschikken de beslissers – de gemeenten – niet overal over voldoende expertise en draagvlak voor het thema. Seksuele gezondheid wordt als minder relevant gezien, omdat het minder levensbedreigend is dan bijvoorbeeld roken, overgewicht en ongezonde voeding. Het is daarom van groot belang dat de GGD een goede lobby voert, door inzicht te geven in het bereik en de tevredenheid van scholen, door in te spelen op de actualiteit en door successen te melden.
Met het recente besluit om met ingang van september 2012 seksualiteit en seksuele diversiteit explicieter op te nemen in de kerndoelen voor het onderwijs hebben GGD’en een goede stok achter de deur om scholen te motiveren om met het onderwerp aan de slag te gaan. In de kerndoelen staat ook expliciet welke onderwerpen aan de orde moeten komen bij de relationele en seksuele vorming in het basisonderwijs, zoals homoseksualiteit, veiligheid en seksuele weerbaarheid. De kerndoelen zullen ook zorgen voor meer vraag naar ondersteuning. En die vraag van scholen blijkt in de lobby naar gemeenten steeds het sterkste wapen.

Meer informatie

Weekvandelentekriebels.nl  
Lespakket Relaties & Seksualiteit
Digibord-versie lespakket

Verder lezen

  • Bagchus, L., Martens, M., en Sluis, M. van der (2010), Relationele en seksuele vorming in het basisonderwijs. Een effect- en procesevaluatie van de lespakketten “Relaties & Seksualiteit” en “Lekker in je vel”. Amsterdam, ResCon.
  • Cense, M., Martens, M., Maris, S., Janssen, E. en Graaf, H. de (2011), Onderzoek naar determinanten van succesvolle implementatie van het lespakket relaties & seksualiteit in het basisonderwijs. Utrecht/Amsterdam, Rutgers WPF/ResCon.
  • Fleuren, M.A.H., Wiefferink, C.H. en Paulussen, T.G.W.M. (2002), Belemmerende en bevorderende factoren bij de implementatie van zorgvernieuwingen in organisaties. Leiden, TNO.
  • Graaf, H. de, Meijer, S, Poelman, J. en Vanwesenbeeck, I. (2005), Seks onder je 25e. Seksuele gezondheid van jongeren in Nederland anno 2005. Delft, Eburon.
  • Rogers, E.M. (2003), Diffusion of innovations (vijfde editie). New York, The free Press.
  • Rutgers WPF (2010), Richtlijn seksuele vorming (deels gebaseerd op de WHO-richtlijn Standards for sexuality education in Europe). Utrecht, Rutgers WPF

Over de auteur(s)

  • Marianne Cense (m.cense@rutgerswpf.nl) is onderzoeker bij Rutgers WPF, kenniscentrum seksualiteit.
  • Marloes Martens (m.martens@rescon.nl) is directeur van advies- en onderzoeksbureau ResCon, Research & Consultancy.
  • Ineke van der Vlugt (i.vandervlugt@rutgerswpf.nl) is programmacoördinator seksuele ontwikkeling en opvoeding bij Rutgers WPF.
Foto

Bewaar Jeugdkennis

Volg Jeugdkennis

Deel Jeugdkennis